Vlaamse gans

 

De Vlaamse gans is de enige overgebleven Vlaamse ganzensoort die we nog bezitten. Als kuiken zijn deze dieren geel met zwart, Vlaamser kan dus eigenlijk niet.

Ze werd vroeger gekweekt voor de productie van dons, veren, vlees en eieren. Oorspronkelijk kwam de Vlaamse gans voor in twee kleurslagen: grauwekster en wit. Witte veren brachten toen meer op dan andere, maar volgens de overlevering waren geheel witte dieren zwakker dan deze die ook nog wat gekleurde veren hadden. Men zocht dus naar dieren die witte donsveertjes en witte schrijfpennen konden leveren maar die voor de rest toch nog voldoende gekleurde veren bezaten. Zo kwam men dan tot dieren met de kenmerkende grauwekster kleurslag.

Bij deze vogels is het hele verenkleed wit behalve de kop en het bovenste gedeelte van de hals, de schouders, de stuit en de dijveren die grauw zijn. De ganzen werden vroeger tot vier maal per jaar 'geplukt'. Zo verkreeg men witte schrijfpennen en witte donsveertjes en hield het dier met de grauwe veren nog voldoende bescherming tegen de weersomstandigheden.

De gestalte en de lichaamsbouw van de Vlaamse gans toont aan dat we te maken hebben met een echte landgans, zonder wammen. Typisch voor deze gans is ook de relatief korte, dikke hals. De snavel is oranjegeel en de poten zijn bij de geëksterde rozerood en bij de witte oranjegeel. In tegenstelling tot de andere geëksterde rassen moet er bij de Vlaamse gans nog een wit biesje rond de snavelwortel lopen.

Gelukkig kan deze gans de laatste jaren weer op meer bijval rekenen bij een aantal fokkers. Men kan ze ook terug zien op tentoonstellingen van wedstrijdfokkers.

In het Levend Erfgoed Park in het Provinciaal domein te Wachtebeke in Oost-Vlaanderen kweekt SLE een grote troep Vlaamse ganzen in een open parkomgeving. Door selectie en fokbeleid worden de dieren jaar na jaar betere vertegenwoordigers van dit eerder zeldzame ras.