Bassette

 

Op het einde van de negentiende eeuw hielden de boeren in zuid-Limburg en de streek rond Luik kleine landhoenders. Het was een bont allegaartje, maar alle dieren waren zeer gehard en hadden goede legeigenschappen. Uit deze oorspronkelijke populatie creƫerde de heer William Collier, bijgestaan door enkele grote namen uit de Belgische pluimveewereld, door strenge selectie een ras dat hij de naam Bassette gaf (vrij vertaald betekent dit klein, laag dier). De rasstandaard werd in 1930 opgesteld.

De Bassette is een grote kriel of een klein hoen - daarom wordt dit ras ook wel eens halfkriel genoemd.

Deze krieltjes zijn vrijheidslievend en levendig van aard maar worden toch vertrouwelijk. Ze komen het best tot hun recht wanneer ze beschikken over voldoende uitloop. De grootste troef is de legkracht. Het aantal eieren kan oplopen tot bijna 180 stuks per jaar. De hen is bovendien een goede broedster.

De meeste Bassetten komen voor in de kleurslag zilverkwartel, maar ook diverse andere kleurslagen zijn erkend. Op tentoonstellingen komt men regelmatig Bassetten tegen, zeker in het Waalse landsgedeelte.