Belgisch sportpaard

 

In 1920 werd de Vereniging ter Bevordering van het fokken van het Legerpaard opgericht. Het was de bedoeling fokkers te stimuleren een rijpaard te kweken voor de Belgische cavalerie. Doel was een paard van ten minste 1,58 m schofthoogte.

Daarnaast werd ook de nodige aandacht besteed aan het exterieur van de dieren. Men wilde een paard met lange hals, expressief hoofd, vrij lange oren, goed ontwikkelde schoft en borst, korte sterke lendenen met afhangend kruis, mooie staartaanzet en goed karakter.

Nadat de Belgische strijdkrachten meer gemotoriseerd werden, verminderde de afzet sterk vanaf 1930 en wijzigde de fokvereniging de statuten. Ze werkte verder onder de naam Maatschappij van het Belgisch halfbloedpaard. In 1967 werd het een 'Koninklijke vereniging'.

Meer recent, in 1991, werd de naam gewijzigd in Koninklijke vereniging het Belgisch sportpaard, Stud-Book sBs. Momenteel telt dit stamboek meer dan 70 dekhengsten, 1500 merries en worden er jaarlijks ongeveer 1000 veulens ingeschreven. De meerderheid van de fokkers zijn gevestigd in het zuiden van het land. De stambomen behelzen ongeveer 50000 paarden.

Oorspronkelijk maakte men vooral gebruik van halfbloeden. Deze term verwijst naar een fokproduct van een Engelse volbloedhengst met een warmbloedmerrie of omgekeerd. Tijdens de tweede wereldoorlog stond de fokkerij op een waakvlammetje maar na het begin van de jaren zestig kende het stamboek een heropbloei. Vanaf toen werden vooral warmbloedhengsten ingevoerd en goedgekeurd door het stamboek. Meestal ging het om hengsten van het Selle Fran├žais-stamboek. Meer recent werden ook warmbloedhengsten van andere rassen gebruikt voor de creatie van het huidige sportpaard.