Tiense vechter

 

De oudste vermelding van de Tiense of Brabantse vechter dateert van 1884. Jarenlang werd dit ras echter verdrukt door de andere inlandse vechthoenders. Eerst werd de Tiense samen met de Brugse en de Luikse in het vakje 'Belgische vechter' geduwd, later werd hij aanzien als onderras van de Luikse vechter. Het is pas sinds 1982 dat de Tiense vechter opnieuw als volwaardig ras wordt aanzien.

De Tiense is afkomstig uit de driehoek gevormd door de provincies Brabant, Limburg en Luik en voornamelijk uit de omgeving van Tienen. Qua uitzicht is dit vechthoen nagenoeg gelijk aan het Luikse met als grootste verschilpunt de totale afwezigheid van pigment in huid, snavel en loopbenen. Ongeacht de kleurslag moet een Tiense vechter steeds een witte huid, witte snavel en witte loopbenen hebben. Het aangezicht en de kam zijn steeds rood van kleur en de ogen oranje. Daarnaast zijn er nog enkele kleinere verschillen. Zo is bijvoorbeeld de kop wat fijner en de kam drierijig.

Een brede waaier van kleurslagen is erkend maar de meest typische kleurslag is en blijft koekoek.

Tegenwoordig is de Tiense vechter een zeldzaamheid die in stand gehouden wordt door enkele enthousiastelingen. Zonder de inspanningen van wijlen Albert Hofman eind de jaren zeventig was de Tiense waarschijnlijk reeds lang uitgestorven.