Brakel hoen

 

Over het ontstaan van het Brakelras bestaan er verschillende theorieën. De ware toedracht zullen we waarschijnlijk nooit te weten komen. Toch zijn er sporen terug te vinden die aantonen dat voorouders van onze Brakelhoenders reeds eeuwen geleden deel uitmaakten van het pluimvee dat door boeren rond hun boerderijen werd gehouden in de streek rond Nederbrakel en Oudenaarde.
Later strekte het verspreidingsgebied van de Brakel zich uit van Noord-Frankrijk tot de Kempen.

Door de grote verschillen in leefomstandigheden in dit grote verspreidingsgebied ontstonden er twee types binnen het ras. Op de Kempense gronden trof men een lichter dier aan dan op de vruchtbare Vlaamse gronden. De lichtere variant kreeg de naam 'Kempens kieken'.

Geleidelijk kreeg men meer oog voor de tekening en de kleur van de dieren en in 1898 werd een speciaalclub opgericht voor het Brakelhoen. Het ras kende een periode van grote groei tot aan de eerste wereldoorlog.
Na de oorlog zorgde de invoer van hybrides ervoor dat de Brakel steeds meer in de verdrukking kwam als dé eiproducent in Vlaanderen.

In 1971 was het erg gesteld met de Brakel. De resterende Zilverbrakels werden samengebracht: twee hennen, een haan uit Duitsland en nog eens twaalf eieren. Daarnaast had men ook nog één Goudbrakelhaan weten te vinden. Vanuit dit handjevol dieren werd de Brakel terug opgebouwd tot een vrij populair ras.

De Brakel is een statig, fier en mooi landhoen dat gehard is en bestand tegen de wisselvalligheid van ons Noordzeeklimaat. Ze zijn met relatief weinig voedsel tevreden.

Erkende kleurslagen bij de Brakels zijn: zilver, goud, chamois, wit, zwart, blauw, blauwgezoomd, witgebloemd. De meest voorkomende zijn de zilver en goudbrakel. Het zijn ook die kleurslagen waar SLE zich op toespitst.

Bij deze kleurslagen zorgt een strakke bandtekening tussen zwart en wit (zilver) of zwart en bruin (goud) voor een mooie tekening. De halskraag van de hen en de sierveren van de haan dienen zo zuiver mogelijk te zijn zonder zwarte stippen.