Brabants hoen

 

Van onze lokale rassen is het Brabants hoen het enige lid van de familie van de kuifhoenders. Dit ras is ook gekend onder de naam Brabançonne, Topman of Houpette. Zoals bij vele van onze lokale rassen is de selectie van dit hoen pas begonnen op het einde van de negentiende eeuw.

In 1903 werd er een speciaalclub opgericht. Deze zorgde voor een bloeiperiode van het Brabants hoen. Steeds nieuwe kleurslagen zagen het levenslicht, waaronder ook de kwartelkleurige die later de meest typische kleurslag zou worden. Met het uitbreken van de eerste wereldoorlog werd de opmars van het Brabants hoen bruusk gestopt.

Na de oorlog werd de Leghorn steeds populairder en samen met de komst van de industriële hybriden betekende dit de dood van het Brabants hoen als producent van eieren in de landbouw. Gedurende verschillende decennia leed de Brabançonne een marginaal bestaan. Het ras heeft de tand des tijds enkel overleefd dankzij een handvol volhardende liefhebbers.

Gelukkig gaat het intussen al enige tijd beter met het Brabants hoen en de vraag neemt nog steeds toe. Het is een landhoen met een eigen vorm: het zogenaamde kegeltype. Bij de hennen is de legbuik zeer uitgesproken.

Naast het bijzondere type hebben de Brabantse hoenders ook speciale kopversierselen. Allereerst is er de kam die duidelijk verschillend is bij beide geslachten. De haan heeft een grote rechtopstaande kam, de hen een omvallende kam die aanleunt tegen een mooie ronde kuif. Bij de haan valt de kuif nauwelijks op en bestaat slechts uit enkele fijne veren die de lijn van het achterhoofd volgen.

De hennen zijn uitstekende legsters. Het is daarenboven een actief ras dat de hele dag scharrelt. Een goede omheining is vereist om dit gedrag letterlijk binnen de perken te houden.

Dit ras is erkend in volgende kleurslagen: kwartel, zilverkwartel, blauwkwartel, blauwzilverkwartel, zwart, blauw, wit, buff en buff columbia.