Ardenner hoen

 

De Ardenner is een bijzonder oud Belgisch ras. Over de geschiedenis is weinig geweten maar het zou rechtstreeks afstammen van het oude Gauloise-hoen. Tot vandaag heeft het vele eigenschappen van deze oerkip bewaard.

Van de Gauloise heeft de huidige Ardenner alleszins zijn weerbarstigheid en vrijheidsdrang geërfd. Vliegen kunnen ze als de beste, omheiningen kunnen nauwelijks hoog genoeg zijn. Ze slapen buiten in weer en wind, en het beste hok laten ze links liggen. De hele dag zijn ze in de weer met het bij elkaar scharrelen van voedsel - en dat met een onuitputtelijk enthousiasme. Kortom: de Ardenner is het ras bij uitstek voor wie over veel plaats beschikt.

De eerste duidelijke beschrijvingen dateren van de tweede helft van de negentiende eeuw. Tot aan de eerste wereldoorlog kende het ras een grote bloeiperiode. Honderden exemplaren werden in die periode tentoongesteld en dit in verschillende kleurslagen. Zoals alle inlandse legrassen had de Ardenner na de oorlog fel te lijden onder de import van de Leghorn. Bijna werd dit de Ardenner fataal maar tegenwoordig is er terug meer belangstelling voor dit oude ras.

De Ardenner is een goede legster met 120 tot 180 eieren per jaar van om en bij de 55 gram. Het is een typisch landhoen van geen al te zwaar kaliber. De dieren hebben een fiere houding. Zeer opvallend is de donkere pigmentatie van het gezicht en de kopversierselen. De intensiteit van de pigmentatie verschilt naargelang de kleurslag. De patrijsvarianten zijn meestal veel roder van gezicht, terwijl dit bij de berkenkleurigen varieert van de kleur van een geplette braambes tot bijna zwart.

Tegenwoordig bestaan er Ardenners in de kleurslagen patrijs, blauwpatrijs, zilverpatrijs, meerzomig patrijs, meerzomig zilverpatrijs, goudhalzig, zilverhalzig, zwart en wit.