Ardenner trekpaard

 

De voorouders van het huidige Ardenner paard leven al sinds mensenheugenis in de Ardennen. Julius Caesar zou het over dit paardenras gehad hebben in zijn geschriften.

Later werd het gebruikt om de zware kanonnen van Napoleon op het slagveld te trekken. Sporadisch werden er Oosterse hengsten gekruist met de oorspronkelijke Ardenner wat resulteerde in een vinnig, onvermoeibaar maar sober paard.
In 1841 werd in Neufchâteau de eerste 'Onderlinge vereniging voor de aanmoediging van de fokkerij van het Ardenner paard' opgericht. Vanaf dan bloeide de fokkerij op en werd de bouw van de Ardenner aangepast aan de vereisten van de land- en bosbouw. De eigenheid van het oorspronkelijke type ging verloren en men verkreeg een kleiner type van het Belgisch trekpaard.

Het Ardenner trekpaard is een massief, gespierd paard op korte benen.
Opvallend is het expressieve hoofd met een wat adellijke uitstraling. De Ardenner is onvermoeibaar en energiek als het op werken aankomt, en is tevens verrassend wendbaar. Dit combineert hij met een kalm, gewillig en vriendelijk karakter.

Ook vandaag wordt de Ardenner nog steeds ingezet in de bosbouw om zware bomen uit de bossen te slepen. Verder wordt de Ardenner weer gebruikt als koetspaard. Een groeiend aantal fokkers heeft weer belangstelling in dit veelzijdige ras.

Recent heeft men een selectieprogramma opgezet om naast de oorspronkelijke Ardenner een lichter type te creëren. Er worden voor dit doel Arabische volbloeden gekruist met Ardenners. Dit project heeft niet tot doel om het oorspronkelijke type te verdringen, maar om daarnaast een type Ardenner te creëren dat beter aangepast is aan de recreatieve (men-)sport. De dieren die voortkomen uit deze kruising noemt men Aratel paarden.