Belgisch trekpaard

 

België is altijd een trekpaardenland geweest. Niet te verwonderen dus dat het Belgisch trekpaard ooit ons belangrijkste exportproduct was. In 1910, bijvoorbeeld, verhuisden 34576 exemplaren vanuit onze gewesten naar Amerika, Canada, Rusland, Zweden, Duitsland, Frankrijk, Nederland en Italië.

Over het ontstaan van het Belgisch trekpaard, in de volksmond ook wel 'Brabander' genoemd, is reeds veel geschreven. Het huidige type Belgisch trekpaard is nog niet zo heel oud. Vroeger had elke streek zijn eigen type trekpaard. Zo was er onder andere sprake van de 'Dikken van de Dender', de 'Grijzen van Nijvel', de 'Kolossen van de Méhaigne' en het 'Vlaamse Paard'. Van een nationaal georganiseerde paardenkweek kon men toen nog niet echt spreken. In 1886 werd het stamboek van de Sociéteit van het Belgisch trekpaard gesticht. Dit stamboek bundelde alle plaatselijke types van trekpaarden die hier voorkwamen. Bedoeling was om uit de veelheid aan types één eenvormig Belgisch trekpaard te selecteren. Hierdoor ging de diversiteit van de oude types verloren.

Er was toen vooral veel vraag naar zware trekpaarden. Hier heeft het nieuwe stamboek dan ook handig op ingespeeld door te kiezen voor een groot, maar vooral krachtig trekpaard dat in staat was om zware lasten te trekken. Na de tweede wereldoorlog ging het echter snel bergafwaarts met onze nationale trots. Vooral de mechanisering in de landbouw was hiervan de oorzaak.

Vandaag is het Belgisch trekpaard vooral een hobbypaard. Omdat er meer belangstelling is voor het recreatief gebruik van onze trekpaarden kan men spreken van een heropleving van de fokkerij. Vooral het mennen wint meer en meer aan belangstelling.

Het Belgisch trekpaard is taai, moedig, gewillig, fier en goedgehumeurd van karakter. Het is vooral een zwaar type trekpaard. De schofthoogte bedraagt tot 1,70 meter.

Er zijn verschillende haarkleuren erkend: bruin, zwart, vos, bruinschimmel, blauwschimmel, vosschimmel en appelschimmel. Sommige van deze kleuren zijn echter zeldzaam.